Portret van een meisje. Wat is dat voor een meisje? Ze zit stil in gezelschap, maar denkt: 'op mij komt het aan'. Maar ze zwijgt: 'als een van hen / mijn kant op keek / zou ik wel zeggen / wat ik ervan vind.' Poëzie?
Ja, door de kinderlijke eenvoud en de bijna genadeloze kaalheid. Als je er een verhaal van maakt, moet je er veel bij vertellen. Merk op dat er behalve bij eigennamen geen hoofdletters voorkomen in de bundel. Op de flap staan titel en eigen naam ook met kleine letters.
De gedichten zijn zo klein, eenvoudig en geraffineerd als de kleine tekeningen van Timon Hagen, waarvan er helaas maar drie in de bundel te vinden zijn. De tekeningen lijken te zondigen tegen het illustratieloze van poezie voor volwassenen, maar als ze ergens op hun plaats zijn is het hier, bij 'drie kleine erotische gedichten'.
De eerste heet 'dwang': 'mijn computer wil af en toe / worden ingedrukt / en aangeraakt / anders laat hij een trap zien / waar geen einde aan komt'. De personificatie van het dode ding is hier niet zo vreemd. Kennelijk laat het scherm in rust-toestand een Escher-achtige tekening zien, die verdwijnt als de gebruiker de machine activeert.
2. 'eerste gesprek': 'nee, van Wittgenstein / heb ik nog nooit iets gelezen / maar misschien kun jij me vertellen / of het iets voor me is / jij kent me nu zo'n beetje / Anna...?' Wie is Anna? Tekening van vier stoelen en twee personen naast elkaar.
3. 'eerste rondleiding'. 'dan zal ik nu / mijn slaapkamer laten zien / daar valt 's ochtends / het licht zo mooi in!' Tekening van twee mensen voor een deur, teruggebracht tot de essentie. Erotisch? Slaapkamer bij de eerste rondleiding in het huis. Verwijzen naar de ochtend en lokken met het licht.
Wat heeft de ik allemaal in petto? De computer wil aangeraakt, zoals een mens, anders blijft die eeuwige trap in beeld. Beeld van eindeloos en vruchteloos (?) denken van de ik in haar eentje. En het gesprek over Wittgenstein? Het is goed te weten dat Ilse Starkenburg filosofie studeerde.
Er is ook een herinnering aan Else Barth, haar professor, maar het gedicht is voor buitenstaanders moeilijk te begrijpen. De ik in de gedichten van Ilse is iemand die erbij wil horen en verbaasd kijkt en luistert naar mensen die schijnbaar moeiteloos samenvallen met hun omgeving, die moeiteloos gebruik maken van internet, weten hoe je een band moet oppompen, hoe je een gesprek voert, hoe je voorleest voor publiek, hoe je vrijt met iemand die je nog maar kort kent, kortom de ik lijkt erg op de lezer, zoals hij of zij werkelijk is, zodat de gedichten hem of haar iets duidelijk maken over zichzelf. Praktische filosofie.
Ilse Starkenburg, In plaats van alleen, De Arbeiderspers, Amsterdam 2003. 49 pp.