© 2008 foto: Paul Fleming

Gekraakt Klooster

GEKRAAKT KLOOSTER

GEKRAAKT KLOOSTER

wie leest, leeft zelf niet
al die mensen die verhalen lezen
waar andere mensen de afloop
al van weten, al die beestjes
die je ziet als je de bril opzet
je eigen bril, van jou
alleen, met op de kast een vaste
plaats, in de tweekamerwoning
die best een eenkamerwoning
had mogen zijn, nauwer om
het lichaam ook, al die muren en beestjes
al die mensen en kandidaten, je hoort
ze nog praten, en praten, ‘zullen we daar
de koelkast zetten?’, maar jouw
koelkast is anders, die laat zich
niet wegdenken door de wasmachine
van een ander, je bent de laatste mens,
het hoogtepunt van generaties lezers,
bezoekers van bieb en piep
piepboeken zijn vies, jij
gaat de Avonden nooit meer ruilen
wie leest, leeft zelf niet

DE KAPSTER

‘je haar wil wel’

zegt ze

 

ze knipt het in lagen

krul,krul, kastanje-

rood is mooi bij

je groengrijze ogen

 

ben ik haar kunstwerk

ik hoor bijna Brahms

zoals in the great dictator

met Chaplin als kapper

 

met Chaplin als dictator

ik zie er enkel oud uit

in vergelijking met haar

op het moment dat wij

 

samen in de spiegel

zijn. ‘je haar wil wel’

zegt ze ‘en nu jij nog’

 

EEN AFREKENING IN HET CRIMINELE CIRCUIT

rakelings langs de wipneus
nog net iets meer gelijkenis
in lengte met de neuzen
van opa’s kant en

 

het was mijn doodstraf geweest
maar hier wordt een misverstand
of erger uit een andere kring
beslecht, met een zachte

 

plof een laatste adem
haling vlucht scheurt gierend
uit ons zicht, de straat
verstijft tot prent

 

lucht waar niemand tussen
ons stond, is in kogel gezogen
wij hebben samen iets geraakt.
de bel die nadert zal ons doorboren