Gedichten lijken soms op een verhaaltje, maar dan zonder kop of staart. Je ziet alleen het middenstuk. Je moet zelf maar zien hoe het begint en je moet het verhaal zelf afmaken. Je moet er je eigen verhaal van maken. De dichter geeft alleen de kern. Een man komt in de lente terug in zijn vacantiehuis in Frankrijk. Hij is de hele winter daar niet geweest. Als hij de deur van de kamer opent, schrikt hij. Op het bed ligt het karkas van een uil. Wat is er gebeurd? In de winter is een uit door de schoorsteen gekropen, op zoek naar wat? Hij kon er niet meer uit. Hij heeft rond gevlogen, steeds weer botstend op de wanden. Hij heeft er een puinhoop van gemaakt. Wat te doen? De man ruimt de rommel op. Hij verbrand het afval in de tuin. Als hij klaar is, eet hij een hapje en drinkt iets. Hij denkt na over wat hij die dag deed. Dan pakt hij papier en pen en schrijft. Later ordent hij de regels, schrapt een woord, vindt een ander.
een geur van verbrande veren
men komt thuis, het is maart, men
ontsluit het verwinterde huis, afzijn gebrek
hebben webben gestrikt, meeëters
verteerd, de uil
door de schoorsteen de door in gedreven
de vloer vol hulpeloos dons, de boeken kalk
wit bescheten, de glazen aan gruizels
op het eeuwige bed een proper karkas
met machtige vleugels
wat heeft men gedaan vandaag?
takken geraapt, de kwijnende vlier
beklaagd
vuur gestookt van afval -
Dit gedicht is van Gerrit Kouwenaar. Hij wordt hermetisch dichter genoemd, ook wel anti-anecdotisch. Dat valt dus nogal mee. Een vrouw herinnert zich de poging van haar ouders tot sexuele voorlichting. Iedereen heeft zijn eigen anecdote op dat gebied. Zij had met haar zusje een verbond gesloten, zoals kinderen dat kunnen doen tegenover volwassenen. Zij schrijft een gedicht en noemt het 'Geheimpje'. Het is van Ilse Starkenburg.
wij weten alles al
maar nog niet in woorden
kom hier, met je oor
op de vloer
ze praten
met elkaar
over waar wij vandaan komen
waar wij naar toe gaan
wij hebben gehoord
wat we wisten
zullen we het maar zeggen?
we blijven doen alsof
we kinderen zijn
op één kamer
met twee bedden
we zullen hun leven
liefdevol begeleiden.
Die ouders worden helemaal niet genoemd. De lezer moet van het verhaal zelf het begin begrijpen. Het gedicht valt met de deur in huis. 'wij weten alles al'. Wie is wij? Wat weten ze en waarvan? Hoe kun je wel iets weten, maar nog niet in woorden? Waarom dat oor op de vloer? Wie zijn die ze? Wat zullen we niet zeggen? De antwoorden zijn nu wel duidelijk, maar misschien blijven er nog wat vragen open. Als die ouders praten over waar wij vandaan komen, bedoelen ze dan: uit de buik van de moeder? Goed. En: waar wij naar toe gaan? Later? Het beroep van de zusjes later? Of naar de mannen die ze zullen begeren? Of de dood? Het hiernamaals? Nee, de titel past beter bij het beroemde verhaal dat ons allen eens is verteld.