‘...De vis echter bleef onaangedaan op de plek waar ze was. Ze staarde met een ondoorgrondelijke blik in de richting van zijn kromgegroeide handen die, als twee verlaten schelpen, op de deken van het bed lagen. Vervolgens draaide ze hem haar achterste toe, waarmee haar ogen toegang kregen tot een gedeelte van de kamer waar G vanuit zijn bed geen zicht op had. Hij voelde een vlaag van jaloezie om haar beweeglijkheid, al was die dan beperkt tot de ruimte binnen het aquarium...’

Citaat uit het verhaal De stoel van Hugo von Hofmannsthal